kies een categorie:
Fafnir

Fafnir (on. Fáfnir) is de draak die in de Noordse Nibelungenoverlevering door Sigurd (Siegfried) wordt gedood. Maar waar het Nibelungenlied slechts vermeldt dat Siegfried een draak heeft gedood en onkwetsbaar is geworden door zich in het bloed van de draak te baden, wijdt de Noordse overlevering uit over de gebeurtenissen die aan de ontmoeting tussen Sigurd en de vorstenkinderen in Worms voorafgingen. Het begin van de hele noodlottige gang van zaken ligt in het Noorden en in een ver, mythisch, verleden. Aan de wortel van de problemen liggen gouddorst en een vloek die doorwerkt tot in een verre toekomst.

            Het verhaal begint in de mythische oertijd, toen drie goden, Odin, Hœnir en Loki, samen door de wereld trokken. Op een dag liepen ze langs de rivier en kwamen bij een waterval waar een otter met gesloten ogen een zalm zat op te peuzelen. Loki doodde de otter met een steen en de drie goden namen de otter en de zalm mee. ’s Avonds vroegen ze onderdak bij een man die Hreidmar heette, en ze toonden hem nietsvermoedend hun vangst. Hreidmar bleek echter de vader van Otter, de otter, te zijn. Hij riep zijn andere zonen, Regin en Fafnir, erbij en de Asen werden gevangen genomen. Als boete voor de moord op zijn zoon en als weergeld eiste Hreidmar dat ze het vel van de otter met goud zouden opvullen en het vervolgens geheel met goud zouden overdekken. Loki kreeg de opdracht om voor het weergeld te zorgen. Om het goud bij elkaar te krijgen leende hij het net van de zeegodin Ran (»Ægir) en ving daarmee de dwerg Andvari, die in de gedaante van een snoek in een waterval leefde. Loki dwong de dwerg hem al zijn goud te geven en Andvari deed dat, maar hij probeerde één ring achter te houden. Deze ring bezat de eigenschap dat hij goud aantrok en Andvari had hem nodig om een nieuwe goudvoorraad aan te kunnen maken. Loki ontdekte de ring echter en nam de dwerg ondanks zijn smeekbeden ook deze ring af. Daarop vervloekte Andvari de ring en de schat: niemand zal profijt hebben van mijn goud, het zal mensen de dood brengen!

            Toen Loki bij Hreidmar terug was, vulden de Asen het ottervel met het goud en daarna bedekten ze het ermee, maar toen Hreidmar het controleerde, zag hij dat er nog één snorhaar onbedekt was gebleven. Hij eiste dat ook deze bedekt zou worden en toen legde Odin de ring van Andvari erop. Daarna mochten de goden vertrekken.

            Loki had Hreidmar over de vloek verteld, maar deze liet zich er niet door afschrikken. De vloek ging al snel voor de eerste maal in vervulling: Hreidmar weigerde zijn zonen een aandeel in de schat te geven, waarop Fafnir zijn vader doodde en het goud in bezit nam. Regin kreeg niets, zelfs zijn vaderlijk erfdeel niet. Fafnir veranderde zich in een slang of draak -- de teksten spreken elkaar hier tegen -- en vertrok naar de Gnitaheide, waar hij op zijn schat ging liggen.

            Regin, die smid was, werd later Sigurds mentor. Hij wist Sigurd, voor wie hij een uitzonderlijk goed zwaard had gesmeed, ertoe te brengen om Fafnir voor hem te doden. Samen gingen ze op weg naar de Gnitaheide, maar daar moest Sigurd het alleen opnemen tegen de draak of de slang -- Fafnir dus. Hij groef een gat of greppel in de weg waarover Fafnir naar de drinkplaats kroop en verborg zich daarin. Toen de draak over het gat kroop, stak Sigurd hem in zijn onbeschermde buik. Fafnir stierf als gevolg van deze verwonding, maar voor het zover was voorspelde hij Sigurd dat de schat hem noodlottig zou worden. (Volgens sommige teksten groef Sigurd op aanraden van een baardige man -- waarschijnlijk de god Odin -- zelfs meerdere gaten in de weg opdat het bloed van de draak zo beter weg zou kunnen stromen.)

            Op verzoek van Regin braadde Sigurd het hart van Fafnir voor hem. Toen hij wilde voelen of het vlees al gaar was, brandde hij zijn vinger, stak die in zijn mond en kreeg zo wat bloed en vet naar binnen. Hij bleek nu de taal van de vogels te kunnen verstaan en hij hoorde enkele vogels zeggen dat Regin van plan was zijn broer Fafnir te wreken en dat Sigurd hem maar beter kon doden, voordat Regin hem doodde. Toen doodde Sigurd Regin en nam de schat in bezit. Deze schat, die naar de latere bezitters ook wel ‘de schat van de Nibelungen’ heet, zou niet alleen Sigurd, maar ook zijn zwagers Gunnar en Högni en hún zwager, de Hunnenkoning Atli (Attila), het leven kosten.

 

Dit verhaal vormt het begin van een reeks verhalen over Sigurd, Brynhild en de Gjukungen (de kinderen van Gjuki, Gunnar, Högni, Guttorm en Gudrun, vorsten in Worms). Het is ons overgeleverd in de Lied-Edda, met name in de gedichten Reginsmál (Het lied van Regin) en Fáfnismál (Het lied van Fafnir), in de op deze Edda gebaseerde Völsunga saga (De saga van de Völsungen) en in de Snorra-Edda. In de op Duitse overleveringen gebaseerde Þíðreks saga (De saga van Diederik van Bern) vinden we slechts een enkele flard van de Noordse overlevering.

            Waar de Duitse overlevering slechts weet dat Siegfried (Sigurd) een draak doodde, geeft de Noordse overlevering het monster een naam. Sigurd heet in het Noorden nooit ‘drakendoder’, maar altijd ‘Fafnisbani’ (doder van Fafnir). Alleen de Þíðreks saga kent het verhaal dat het bloed van Fafnir Sigurd onkwetsbaar maakte, de andere bronnen vermelden slechts dat het hartenbloed van Fafnir Sigurd de taal van de vogels deed verstaan. Volgens het pelgrimsboek van de IJslandse abt Nikulas Bergsson († 1160) was de Gnitaheide, waar Fafnir op zijn schat lag, de Knetterheide in Westfalen.

            Fafnir wordt in de IJslandse teksten aangeduid als ‘ormr’ (slang) en ook als zodanig voorgesteld. Hij kruipt op zijn buik over de aarde en spuwt gif. Zijn blik is starend en fel als die van een slang. Voor een dergelijk monster werden de termen ‘ormr’, ‘dreki’ en ‘naðr’ door elkaar gebruikt. Ook »Nidhögg is zo’n monster.

            Het verhaal over Regin, Sigurd en Fafnir was populair in heel Scandinavië en ook in die delen van Engeland waar Vikingen zich hadden gevestigd. We vinden het afgebeeld op runenstenen, kruisen en kerkportalen.

            De oudste afbeeldingen zijn te vinden op een viertal kruisen uit de 10e eeuw op het eiland Man. Het zijn de bekende motieven: Sigurd die de draak doorsteekt, Sigurd die het hart braadt en zijn vinger aflikt, Sigurds paard en de boom met de vogels erin, en de gedode Regin.

            Een zeer bekende afbeelding uit de 11e eeuw is te vinden op een rotswand in Ramsundsberg (Södermanland, Zweden). Daar heeft een onbekende runenmeester het verhaal afgebeeld. De slinger met de runentekst heeft de vorm van een slang. Rechts onderaan steekt Sigurd zijn zwaard door dit monster. In het midden vinden we alle hierboven genoemde motieven. De afbeelding werd slordig gekopieerd op de steen van Gök (Södermanland).

            De strijd tussen Sigurd en de draak moet in christelijke tijd gezien zijn als een strijd tussen goed en kwaad, misschien als een heidense voorafbeelding van de strijd van de aartsengel Michaël of van Sint Joris met de duivel in de gedaante van een draak, en kon als zodanig een plaats vinden op kerkportalen en in kerken. Daar vinden we dan ook de jongste middeleeuwse afbeeldingen en dezelfde motieven als op de runenstenen. Zo bijv. op het kerkportaal van Hyllestad (Noorwegen) uit ca. 1200, dat zich nu in de Universitetets Oldsaksamling te Oslo bevindt. De slang is zich hier in de richting van een draak aan het ontwikkelen. De kop is geen slangenkop meer en het beest heeft een stevig geklauwde poot. In hetzelfde museum bevinden zich nog andere onderdelen van kerkportalen met dezelfde motieven.

            Een reliëf op de basis van een zuil in de kerk van Nes in het Noorse Telemark uit de tweede helft van de 12e eeuw toont Fafnir in zijn jongste verschijningsvorm, als gevleugelde draak. Zo staat hij afgebeeld op een enkel kapiteel, op koorgestoelten en op profane zetels.

 

In 1806 tekende Johann Heinrich Füssli een Siegfried die baadt in het bloed van de ‘Lindwurm’ (Auckland, Nieuw-Zeeland, Art Gallery). Fafnir is op deze pentekening een soort slang met drakenkop. Wagners opera Siegfried heeft bijna een eeuw later veel kunstenaars geïnspireerd, o.a. tot afbeeldingen van Siegfried met de door hem overwonnen Fafner: zo bijv. Hans Thoma, Siegfried na het doden van de draak, aquarel 1889 (Berlijn, Nationalgalerie); Max Ernst, Siegfried de Drakendoder, linoleumsnede 1912 (privé-bezit) en Aubrey Beardsley, Siegfried, pentekening 1892-93 (Londen, Victoria & Albert Museum).

            In Frans Berdings eddabewerking van 1911 heeft Gust van de Wall Perné de drakendoder afgebeeld met zijn schimmel en de boom met de vogels. De draak, een soort slang met twee poten en een drakenkop die zich om het kader van de afbeelding slingert, lijkt op laatmiddeleeuwse afbeeldingen geïnspireerd te zijn.

            Verhalen over door draken bewaakte schatten waren niet alleen in heel Scandinavië maar ook ver daarbuiten bekend. In de middeleeuwse Scandinavische literatuur vinden we ze bij Saxo en in de IJslandse voortijdsaga’s. In sprookjes van vele landen spelen draken een rol.

            Het plot van Tolkiens The Hobbit (1937) draait om de draak Smaug. Hij ligt al vele jaren op schatten die hij de dwergen ontstolen heeft, als enkele dwergen de hobbit Bilbo in dienst nemen om hen te helpen bij hun pogingen de schatten weer terug te krijgen. Het verhaal over Bilbo’s ontmoeting en gesprek met deze gevleugelde draak is enerzijds geïnspireerd op het gesprek in het eddagedicht Fáfnismál (Het lied van Fafnir) tussen Sigurd en de gewonde Fafnir en anderzijds op een beschrijving van de woede van een draak, als hij ontdekt dat hem één stuk van zijn schat is ontnomen, in de 8e-eeuwse Oudengelse Beowulf (r. 2208-2345).

            In Wagners Siegfried, het derde deel van zijn Ring, is Fafner een reus, die zijn broer Fasolt omwille van een schat heeft gedood. In de gedaante van een ‘ungeheurer eidechsartiger Schlangenwurm’ bewaakt hij deze schat totdat Siegfried hem doodt. In zijn libretto verwerkte Wagner vele details uit de eddaverhalen.

            Paula Vermeyden en Arend Quak

 

Bernström 19802; Blindheim 1972-73 (tentoonstellingscatalogus); Gerritsen e.a. 1993; Holtsmark 1981a.